Mijn leven als Stéphane

See on Scoop.itMijn gazette

Ik ben in 1920 geboren in Genève. Mijn ouders verhuisden in 1921 naar België, waar zij een horlogemakerswinkel uitbaatten in Brussel. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak in 1940, was ik student aan de ULB, maar door de oorlog werden de lessen gestaakt. Wij organiseerden met een paar studenten dan maar clandestiene lessen in samenwerking met de professoren. Ik was sinds 1935 ook actief bij de “Rode Valken”, de jong socialisten. Vanuit dat engagement en de vele vrije tijd door het stopzetten van de lessen, was de stap naar het verzet snel gezet.

Het verzet bestond uit twee grote groepen; het gewapend verzet en het niet-gewapend verzet. Het niet-gewapend verzet manipuleerde documenten, maakte valse identiteitskaarten en zorgde voor onderdak voor vluchtelingen. Ik kwam terecht bij het gewapend verzet. Aanvankelijk hield ik mij vooral bezig met sabotageacties, maar gaandeweg werden de acties harder. Zo doodden wij voor iedere vermoorde partizaan een Duitse officier.

In het verzet mocht je je eigen identiteit niet vrijgeven. Iedereen nam er een schuilnaam aan, en ik koos voor de naam Stephane. Die naam was niet willekeurig gekozen, want dat was de naam van het hoofdpersonage in de roman “La condition humaine” van André Malraux uit 1933.

De sabotageacties van het verzet bestonden onder andere uit het vernietigen van de oogsten. Door het platbranden van de velden, hadden de Duitsers minder voedsel, waardoor zij het moeilijker kregen om te overleven. Daarnaast probeerden wij materialen die uit Duitsland aangevoerd werden voor de bezetter, te saboteren. Zo hebben wij meermaals treinen uit Duitsland laten ontsporen. Uiteraard wisten wij wanneer welke trein zo zou ontsporen, waardoor wij ons ook konden voorbereiden op de plundering van die treinen. Die acties waren een groot succes omdat wij naast het saboteren van de Duitsers zo ook onze eigen middelen vergrootten. Doordat wij voedsel en productie afsneden, hadden de Duitsers het moeilijker om zichzelf te organiseren.

Maar ook wij binnen het verzet hadden grote moeilijkheden met organisatie. Wij hebben niet zoveel sabotageacties kunnen ondernemen als ik gewild had, omdat wij ons nog moesten organiseren, opleidingen volgen en/of geven en onze uitgevoerde acties moesten evalueren om zo bij te leren voor volgende acties. Ikzelf heb nooit een opleiding gevolgd bij het verzet, maar heb wel verscheidene jongeren moeten opleiden. Er heerste bovendien veel angst in de stad om verraden te worden. Het verzet in een stad is immers riskanter dan het verzet op het platteland, waar je zeker bent van voedseltoevoer, waar er meer verstoppingsplaatsen zijn en waar de verklikkingsgraad veel lager ligt.

Mijn eerste wapen heb ik op een inventieve manier bemachtigd. Ik was op zoek naar een wapen en daarvoor ging ik naar de Antwerpse Steenweg, waar bordelen gevestigd waren. De Duitse officieren waren immers frequente bezoekers van die bordelen. Ik wachtte tot een Duitse officier een bordeel verliet en ik verraste die officier langs achteren. Ik duwde mijn pijp, die in mijn jaszak stak, in zijn rug en zei “Handen omhoog! Geef mij uw wapen!”. Hij gaf mij zijn wapen, waarna ik hem liet gaan. Tot mijn eigen grote verbazing had ik mijn eerste wapen bemachtigd met behulp van enkel maar een pijp.

Het wapentekort was voor de weerstand vaak een probleem. Zo hadden wij dringend wapens nodig voor een grote actie. Stal, mijn overste binnen het verzet, had in het Bierhof, een café in de Madeleinestraat, een afspraak met drie mannen die ons wapens zouden kunnen verkopen. Ik was aanwezig op die afspraak om de veiligheid te garanderen. Tijdens het gesprek liep één van de drie mannen naar de toiletten. Even later volgde ik die man want ik moest dringend plassen. Terwijl ik stond te urineren, hoorde ik echter dat die man aan het telefoneren was met de Gestapo. Ik liep gewoon terug naar onze tafel en wachtte oplettend af. Een beetje later arriveerde een wagen van de Gestapo voor het café. Ik stond op, nam mijn pistool en doodde de drie ‘wapenhandelaars’. Mijn chef, Stal, vluchtte naar buiten en sprong op de tram. Hij wilde zich van zijn wapen ontdoen en gooide het terwijl hij op de tram zat door het raam naar buiten. Wat hij echter niet had opgemerkt, was dat er een Duitser zich op die tram bevond. Wellicht had Stals nerveus gedrag de aandacht van die Duitser getrokken en die Duitser was er getuige van hoe Stal zich van zijn wapen ontdeed. Hij werd opgepakt en ter dood veroordeeld.
Ik vluchtte na het doden van de drie ‘wapenhandelaars’, in tegenstelling tot Stal, via de achterdeur naar buiten. De Gestapo zat mij op de hielen en riep naar de omstanders dat ik een terrorist was en dat ze mij moesten tegenhouden. Ik was echter sneller dan de Gestapo en kende Brussel op mijn duimpje, waardoor ik hen kon ontlopen. Ik vertopte mij in het operagebouw, zodat ik even kon rusten en mijn wapen herladen. Ik ben aan de Gestapo kunnen ontkomen, maar heb achteraf het droevige lot van mijn chef vernomen.

Op een dag drongen wij met een aantal verzetsleden het administratief stadhuis binnen om paspoorten te stelen. Uiteraard werd het administratief stadhuis bewaakt door een aantal veiligheidsagenten. Wij konden die veiligheidsagenten overmeesteren en hebben hen in een kamertje onder bewaking geplaatst. Omdat het een traumatische ervaring voor die bewakingsagenten was, lieten we hen kaarten, om hun gedachten te verzetten. De wapens en munitie die wij bij die actie in beslag hadden genomen, vormden een mooie verrijking van onze eigen voorraad. Tijdens die actie hebben wij twee grote jutezakken vol paspoorten en andere officiële documenten kunnen bemachtigen, wat van onze actie een groot succes maakte.

Naast identiteitspapieren probeerden wij ook zo veel mogelijk rantsoenbonnen te bemachtigen. Wij stalen rantsoenbonnen, maar enkel van mensen van wie wij wisten dat die zonder die rantsoenbonnen konden leven. Mensen die zeker waren van hun inkomsten, zoals staatsambtenaren en politieagenten, waren vaak het slachtoffer van deze plunderingen. De verworven voedselbonnen gaven wij aan mensen die het hard nodig hadden, zoals Joodse families.

Mijn geluk kon echter niet blijven duren. Toen ik als groepschef van een vergadering terugkwam, werd ik in de tram geviseerd door een man. Ik voelde mij hier ongemakkelijk bij omdat ik bezwarende documenten op zak had. Zo had ik de sleutelbossen bij van alle munitie- en voedseldepots van de weerstand, evenals valse paspoorten. Gelukkig waren het paspoorten zonder foto’s. Daarnaast had ik enorm veel geld bij me. Ieder verzetslid kreeg 1200 frank om te kunnen overleven wanneer ze moeten vluchten. Ik had net dat geld voor al mijn mannen bij, wat toch neerkwam op ongeveer 100.000 frank. Ik had die dag ook nieuwe schoenen aan, misschien trokken die schoenen de aandacht. Ik stapte bij de eerstvolgende halte van de tram af, maar die man volgde mij. Ik kende Brussel erg goed en probeerde die man van mij af te schudden door via de Rogierlaan naar het Jossefapark te gaan. Jammer genoeg kwamen er net op dat moment twee politieagenten uit het park, zodat ik de blok omrende en zo terug bij de tram uitkwam en weer opstapte. In die tram waren Duitse soldaten aanwezig en ze hielden mij tegen.
Ik werd toen naar de Dwarsstraat in Brussel gebracht, waar de Duitse geheime politie mij ondervroeg van drie à vier uur in de namiddag, tot tien à elf uur in de avond. Ik werd afgeranseld en voedsel en drank werd mij ontzegd, in de hoop informatie van mij te bekomen. Door de zware afranseling was mijn lichaam zo opgezwollen dat het bijna verdubbeld was in omvang. Na die ondervraging werd ik overgebracht naar de gevangenis van Sint-Gillis. Door het late uur, kon ik niet meer in een aparte cel gezet worden, maar kwam ik terecht in een cel waar zich reeds vier ter dood veroordeelden bevonden. Dat was mijn redding! Die vier ter dood veroordeelden hebben mij mentaal erbovenop geholpen. Ze hebben mij moed ingesproken en zo op mij ingepraat dat ik uiteindelijk mijn vechtlust terugvond. Daarnaast hebben zij wellicht mijn leven gered door mij te waarschuwen voor mijn eigen woorden. Ik moest mij alles herinneren wat ik aan de Duitse geheime politie gezegd had, en bij dat verhaal blijven.
Na een tijdje werd ik toch nog naar een isoleercel gebracht, terwijl mijn ondervragingen door bleven gaan. Ik speelde mijn ondervragers met hun voeten door hen verkeerde informatie te geven. Als zij vroegen waar de sleutels, die ik bij mijn arrestatie op zak had, toegang tot verleenden, gaf ik hen willekeurige adressen op, die uiteraard niets te maken hadden met de depots van het verzet. Toch moest ik op een gegeven moment correcte informatie prijsgeven. Ik had valse papieren op zak, die mij zeer verdacht maakten. Daarom gaf ik toe dat ik van Joodse afkomst ben en dat ik die papieren bemachtigd had om mijn vrienden en familie in veiligheid te kunnen stellen. Ik gaf hen zelfs mijn ware identiteit. Op die manier hadden de Duitsers hun begeerde informatie, zonder dat ik de verzetsbeweging prijsgaf.
Na drie maanden in Sint-Gillis werd ik vrijgelaten, maar buiten de gevangenis stond de Gestapo al klaar om mij samen met negen anderen op te pakken en te deporteren. Van Sint-Gillis werd ik naar de Dossinkazerne in Mechelen gebracht, waar ik één nacht verbleef alvorens gedeporteerd te worden naar Auschwitz.

Zodra de trein in Auschwitz aankwam, werd er een selectie uitgevoerd. De zwakkeren, de zieken, ouderen en kinderen werden meteen naar de gaskamer afgevoerd. Enkel mensen die arbeid konden verrichten en dus een nut hadden voor de Duitsers, verdienden het recht om in leven te blijven. Ik was een jonge man en dus arbeidsbekwaam. Ik werd geregistreerd en voorzien van mijn nieuwe ‘identiteit’, het nummer 151610 werd op mijn arm getatoeëerd en mijn identiteit werd mij ontnomen. Ik voelde mij een nummer, een object.

Auschwitz had veertig bijkampen, met elk zijn eigen specialiteit. Er waren kampen die gespecialiseerd waren in het maken van schoenen, andere maakten dan weer spoorrails aan. In die bijkampen werd er dwangarbeid geleverd door de kampgevangenen. Voor ieder bijkamp werden er lijsten opgesteld van gevangenen die in dat bijkamp dwangarbeid moesten leveren. De film Schindler’s List is gebaseerd op de werking van die bijkampen.
Ikzelf kwam terecht in het bijkamp Fürstengruben, waar ik tot aan het einde van de oorlog in de mijn gewerkt heb. Ik had het geluk dat ik mij steeds kon omringen door mensen die mij hielpen om in leven te blijven. Door hand-en-spandiensten, die ik mede leveren kon doordat ik bijvoorbeeld horloges kon repareren, voorzagen ze mij van eten en medicatie.

Drie weken voor het Rode Leger de kampen bevrijdde, wist ik te ontsnappen. Ik kwam Russische troepen tegen, die mij een Russisch uniform aanboden om daarmee de lompen aan mijn lijf te vervangen. Via Odessa kwam ik terug in België. Ik was nog steeds mager, maar ik kon staan, lopen, schieten en had sabotageacties geleid. Daardoor werd ik meteen goed bevonden om deel te nemen aan de oorlog. Ik werd drie dagen voor het einde van de oorlog ingelijfd in het Belgische leger.

Na de oorlog moest ik de draad van mijn leven weer opnemen. De terugkeer in België was vreemd. Er was niemand die mij opwachtte, niemand die mij verwachtte en zelfs niemand die wist dat ik nog in leven was. Ik heb mijn gevangenschap en de dwangarbeid volgehouden door mijn levenswil, door overlevingsdrang. Ik wilde kunnen vertellen wat ik meegemaakt had, ik wilde de boodschap doorgeven en dat anderen op hun beurt mijn verhaal doorvertelden. Na de oorlog kreeg ik de kans om een zuiveringscommissie voor te zitten. Op die manier kon ik mijn werk van tijdens het verzet verder zetten. Ik wist door mijn ervaringen van tijdens de oorlog wie gecollaboreerd had en wie de waarheid sprak. Gedurende zes maanden heb ik in de zuiveringscommissie gezeteld.
Tijdens die periode kwam ik de agent tegen die mij gearresteerd had. Ik vroeg hem waarom hij mij had aangehouden, wat mij zo verdacht maakte. Zo kwam ik te weten dat mijn nieuwe schoenen er voor niets tussen zaten, maar dat ik fysiek leek op iemand die telegrafeerde met Londen en naar wie de Duitsers al langer op zoek waren. Ik had dus de pech om te lijken op iemand anders en voor die telegrafist aangezien te worden. Na mijn werk bij de zuiveringscommissie keerde ik terug naar het horlogemakerswinkeltje van mijn ouders, dat ik heel mijn leven uitgebaat heb.

In mijn verzetsverleden heb ik heel wat mensen verwond en vermoord, maar ik heb daar geen spijt van. Het enige dat ik betreur, is dat ik niet meer Duitsers vermoord en verwond heb. Zij deden immers veel gruwelijkere dingen en het zijn zij die ons land binnenvielen en ons kwamen uitmoorden. Er is slechts één daad die ik wel betreur. Ik heb mijn ouders officiële papieren uit Elsene bezorgd, waarmee zij zijn kunnen vluchten naar Zwitserland. De persoon die de papieren maakte, heeft echter een lijst bijgehouden van de namen van alle mensen voor wie hij papieren heeft moeten maken. Die lijst is in Duitse handen gevallen, waardoor mijn ouders aan de Zwitserse grens gearresteerd en alsnog gedeporteerd werden. Zij hadden in Auschwitz geen enkele kans en werden meteen afgevoerd naar de gaskamer. Ik kan het niet helpen mij verantwoordelijk te voelen voor hun dood.

Ik hoop dat er geen Derde Wereldoorlog zal plaatsvinden en dat de jongeren vandaag en in de toekomst zulke gruwelijkheden niet zullen meemaken. Ik kan aan die jongeren de goede raad meegeven om steeds zoveel mogelijk kennis te vergaren. Studeer zoveel mogelijk en doe ervaringen op. Op die manier ben je beter voorbereid om met de onverwachte wendingen in het leven om te gaan. Ik had makkelijker kunnen overleven in Polen en ik had makkelijker kunnen ontsnappen als ik meer kennis had opgedaan over onder andere het Poolse klimaat. Niemand weet wat de toekomst brengt, maar studeer zoveel mogelijk en vergroot jouw bagage om die toekomst zo goed mogelijk uitgerust tegemoet te gaan.
Een laatste boodschap die ik aan de wereld wil meegeven, is die van gelijkheid. Toen ik twintig jaar was, was er geen gelijkheid tussen de seksen en bestond het vrouwenstemrecht nog niet. Vandaag hebben de vrouwen wel stemrecht en is er sprake van gelijkheid, maar er is nog steeds een loonkloof. Ik hoop dat de gelijkheid in de toekomst verder doorgetrokken wordt.

 

 

http://shoahproject.bbforum.be/getuigenis_van_baron_paul_halter__weerstander_en_overlevende-t9.html?sid=5058014f2373871799e12d04de257331

 

Dirks scoop’s insight:

Paul, baron Halter, 20 oktober 1920, Genève Plainpalais (Zwitserland) – overleden op 30 maart 2013 – Belgisch joods verzetsstrijder tijdens WOII, overlevende van Auschwitz, voorziiter van de Stichting Auschwitz sinds 1980 –

www.auschwitz.be

See on www.youtube.com

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s