Geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging

Nederlandstalige elektronische uitgave van Leo Michielsen (1976): Geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging 

 

België, dat op het einde van de oorlog ruim 7 miljoen inwoners telde, behoorde tot de hoog ontwikkelde landen van de wereld. Politiek was het een liberale staat, een constitutionele monarchie met een KONING ALBERT, die als triomfator aan het hoofd van zijn troepen, van het front terugkeerde. Het parlementair stelsel functioneerde door een verminkt algemeen stemrecht. Op het vlak van de binnenlandse politiek stelden zich een drietal vraagstukken: de oude vete tussen katholieken en vrijzinnigen, omtrent de subsidiëring door de staat van de katholieke scholen; de verzuchtingen van de Vlaamse Beweging en (in hoofdzaak) de democratische eisen van de arbeidersbeweging. België had ook internationale bekommernissen. Als bezitter van een uitgestrekte kolonie maakte het onmiskenbaar deel uit van het imperialistisch systeem.  Behorend tot het kamp van de overwinnaars, wenste het een deel van de buit te bemachtigen. Het resultaat was eerder bescheiden: het Verdrag van Versailles leverde Eupen-Malmedy op en de mandaatgebieden Rwanda en Burundi. Overigens werd België lid van de Volkerenbond en zegde het zijn statuut van neutraliteit vaarwel. 

Het parlementaire gebeuren werd beheerst door de drie partijen die ook vóór de oorlog het terrein bezetten: de Katholieke Partij, de Liberale Partij en de Belgische Werklieden Partij. Reeds tijdens de oorlog traden een paar socialistische elementen tot de regering toe. Na 1918 begon socialistische deelname – ondanks langdurige onderbrekingen – tot de normale regels van het parlementaire spel te behoren. De BWP werd gerekend tot de drie Nationale Partijen en de “Union sacrée” van tijdens de oorlog werd af en toe voortgezet in regeringen van “Nationale Unie”. 

Dat was het geval tijdens de eerste drie jaren na de oorlog met de twee regeringen DELACROIX en met de derde onder leiding van CARTON DE WIART. 

Reeds onder de eerste regering werd een aanvang gemaakt met de wederopbouw van het land. Tot de erfenis van de oorlog behoorde een aanzienlijke werkloosheid (einde 1918 ongeveer 1 miljoen werklozen) en veel miserie, zodat het NHVC zijn taak gedurende nog haast twee jaar moest voortzetten. Om de wederuitrusting van de industrie te financieren werd de “Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid” (NMKN) ingesteld. 

In dit eerste jaar na de oorlog werd ook het ALGEMEEN STEMRECHT ingevoerd. Dat was niet het werk van een constituante, zoals de grondwet het vereiste, maar van het vooroorlogse parlement. Ook een parlement kan – bv. als de schrik het begin van de wijsheid is – zeer snel werken. Daarvan biedt de Belgische parlementaire geschiedenis ons vele voorbeelden. Het kiesstelsel bleef proportioneel en, ten einde de proportionaliteit consequenter toe te passen, werd de apparentering per provincie ingevoerd. In principe gaf dat ruimte voor de opkomst van kleinere partijen.

De verkiezingen van november 1919 brachten uiteraard belangrijke wijzigingen: de katholieken daalden van 99 naar 73 zetels, de liberalen haalden er 34 i.p.v. 45 en de socialisten stegen van 40 naar 70 mandaten. De absolute meerderheid die de katholieken sinds 1884 onafgebroken hadden bezeten, behoorde nu tot het verleden. Van nu af moest men overgaan tot de vorming van coalitieregeringen. Maar in Kamer en Senaat vormden de katholieken nog steeds de grootste groep, zodat de regeringsleiding nog lange tijd bij die groep zou blijven. Coalitieregeringen vertonen uiteraard belangrijke innerlijke tegenstellingen. Dat verklaart waarom alle kabinetten van onderhavige overzichtsperiode ontslag indienden, zonder dat in het parlement een meerderheid zich tegen hen uitsprak. 

Bij de vorming van de TWEEDE REGERING DELACROIX hield men rekening met het socialistische verkiezingssucces: het aantal socialistische ministers werd van 3 op 4 gebracht. Centraal in de nu volgende maanden stond de grondwetherziening; zij was niet beëindigd toen het kabinet Delacroix ten val kwam. Kenmerkend voor de buitenlandse politiek van deze bewindsploeg was het afsluiten van een Frans-Belgisch militair akkoord, dat in de volgende jaren nog veel ter sprake zou komen. De tegenstelling tussen liberalen en socialisten deed de coalitie begin november 1920 uiteenvallen. Er was geen parlementaire motie van wantrouwen geweest. 

De regering CARTON DE WIART (5 katholieken, 4 socialisten, 3 liberalen) zou ongeveer een jaar standhouden. Zij deed de grondwetsherziening stemmen, waarbij het reeds toegepaste algemeen enkelvoudig mannenstemrecht voor de parlementaire verkiezingen constitutioneel werd bekrachtigd. Voor de verkiezing van de gemeenteraden werd het kiesrecht ook aan de vrouwen verleend. De Grondwet democratiseerde in zekere mate de samenstelling van de Senaat. Verder werden in 1921 twee wetten gestemd, waarop de socialisten sinds vele jaren hard aandrongen: de afschaffing van het beruchte artikel 310 en de invoering van de achturendag. Andermaal stelde een conflict tussen liberalen en socialisten een einde aan deze coalitie. Daarmee kwam tevens een einde aan de drieledige formule. 

 

Source: www.marxists.org

De wet van 20 augustus 1920 wees iedereen vanaf 65 jaar een kosteloos pensioen toe, vandaag wordt de klok teruggedraaid.

See on Scoop.itMijn gazet

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s