De Belgen in Engeland 1940-1945

De weg naar Tenby 
De blik op Londen 

Na de capitulatie van Frankrijk op 22 juni 1940 was de vechtlust bij de Belgische regering tot een absoluut dieptepunt gezakt. Het enige leger dat Duitsland te land een halt had kunnen toeroepen, was verpletterd en de nieuwe Franse regeringsleider, maarschalk Pétain – de overwinnaar van Verdun in 1916 – had zijn diensten aan de Duitsers aangeboden. Bovendien was het allerminst zeker dat de Britten in staat waren hun eiland te verdedigen. De pas uit Frankrijk geëvacueerde Britse landstrijdkrachten waren in volle reorganisatie en waren numeriek gezien geen partij voor de talrijke divisies van de Wehrmacht. De Royal Navy gold nog steeds als een formidabele strijdmacht, maar ze had, behalve de Britse eilanden, een gigantisch wereldrijk te verdedigen. Dé vraag was of de Britse luchtmacht – al was ze uitgerust met moderne jachtvliegtuigen – de oppermachtige Luftwaffe zou kunnen verslaan. Een onmiddellijk vertrek naar Londen leek voor Pierlot en de andere ministers zeker niet de beste optie, ook al had Churchills kabinet de Belgische regering al op 6 juni officieel erkend. 

De enige die echt geloofde in de kracht van Groot-Brittannië was de liberale minister van Volksgezondheid Marcel-Henri Jaspar. Als anglofiel en kenner van de Britse geschiedenis – hij zou in 1947 een boek publiceren over de vroegnegentiende-eeuwse Britse staatsman William Pitt de Jongere – was hij van mening dat Groot-Brittannië de strijd tegen Hitler onder geen enkele voorwaarde zou opgeven. Net zoals in de tijd van Napoleon zouden de Britten alles doen om de dominantie van één mogendheid over het Europese vasteland te breken, zo meende Jaspar. Daarom besloot hij op eigen houtje naar Groot-Brittannië te vertrekken. Op 18 juni, net voor hij in Le Verdon de boot nam, zou hij aan zijn collega Gutt hebben gezegd: ‘Ik zou nog liever het bevel voeren over een tank en in die hoedanigheid aan flarden worden geschoten, dan dat ik de toiletten van de Gestapo zou kuisen.’ Even overwogen ook Pierlot en enkele andere regeringsleden om naar Groot-Brittannië te trekken, maar ze lieten dat idee snel varen toen bleek dat de Britten niet bereid waren hun gezinnen en hun hele ‘hofhouding’ te laten overkomen. 
In navolging van de Franse generaal De Gaulle hield Jaspar op 23 juni 1940 in Londen een radiotoespraak, die hij besloot met de woorden: ‘Liever de dood dan de slavernij. Moge God België en zijn bondgenoten beschermen.’ Britse kranten hadden heel wat aandacht voor de eigenzinnige Belgische politicus en zagen in hem de man die als een soort eenmansregering in naam van de hele Belgische natie sprak. De Daily Dispatchvergeleek hem zelfs met Lodewijk XIV, de Zonnekoning.

De reactie vanuit Frankrijk liet niet op zich wachten. Op instigatie van Pierlot werd Jaspar aan de kant geschoven. Voorlopig echter had hij vrij spel, omdat hij als enige lid van de regering in Londen zat. Zijn collega’s zouden Jaspar trouwens nog flink natrappen door te beweren dat hij vooral om persoonlijke redenen vertrokken was. De liberale politicus maakte voor de oorlog namelijk deel uit van een antiracistische beweging en was hertrouwd met de Russisch-Joodse Betty Halpern-Becker. Door te vertrekken zou hij zijn echtgenote en zichzelf een onzekere toekomst hebben willen besparen – een bewering die Jaspar zelf stellig ontkende. Ook verweten zijn collega-ministers hem zijn plicht te hebben verwaarloosd. Er bevonden zich immers nog honderdduizenden Belgische vluchtelingen in Frankrijk, voor wie gezorgd moest worden en die gerepatrieerd moesten worden. En dan waren er ook nog de restanten van het leger en de massa’s nauwelijks opgeleide CRAB’s. Mede als gevolg van de chaos waren de regering en haar medewerkers niet in staat om veel te doen en het kwam er vaak op neer dat iedereen zijn eigen plan moest trekken. Vele vluchtelingen en CRAB’s die wekenlang in soms erbarmelijke omstandigheden geleefd hadden in een land waar ze niet echt welkom waren, keerden op eigen houtje naar huis terug. In een aantal gevallen werden er, met de toestemming van de Duitsers, vanuit België bussen ingelegd om de jongeren op te pikken. Zo keerde bijvoorbeeld de latere toneelacteur Nand Buyl op die manier naar Antwerpen terug. Ook de reguliere troepen staken de grens over, maar velen werden krijgsgevangen gemaakt en op transport naar Duitsland gezet. Erg veel had Jaspar dus niet kunnen doen.

Bij de Belgische militairen in Groot-Brittannië wekte Jaspars poging om een nieuwe regering te vormen wél enige hoop. De socialist Truffaut schreef: ‘De koorts bereikte een hoogtepunt, de avond dat wij op de radio de stem hoorden van Marcel-Henri Jaspar. Zijn oproep sloeg bij iedereen in. Hij sprak de woorden die met zo’n koortsig ongeduld verwacht werden: “Vecht… Wij zullen vechten tot aan de overwinning met onze geallieerden.”’  

Maar algauw volgde de ontnuchtering. Jaspar bleek alleen te staan en werd niet gevolgd door de rest van de regering. Dat deed de afkeer van vele militairen voor Pierlot en zijn ministers alleen maar toenemen. Truffaut noteerde vol verbittering: ‘Wij wachtten af. Wij wisten niet meer wat wij afwachtten. Vanwaar zou het zo logische bevel komen te vechten… Was dit te veel gevraagd… Er gingen brieven naar het War Office, naar generaal de Gaulle. Was er geen plaats voor mannen die alleen wapens wilden dragen, en die, om de eer ze te dragen, hun bloed over hadden?’ 

De houding van de regering zou lange tijd een hypotheek leggen op haar relaties met het Belgische leger in wording. En zeker met het officierenkorps, waarvan een groot deel – al dan niet manifest – koningsgezind was. 

Wie, met gevaar voor eigen leven, de strijd na 28 mei onmiddellijk voortzetten, waren de West-Vlaamse vissers en de zeelui van het in 1939 inderhaast opgerichte Corps de Marine. De betrokken schepen bevonden zich al enkele dagen in Britse havens en werden met de goedkeuring van de Belgische ambassade in Londen opgeëist om mee te helpen aan de evacuatie vanuit Duinkerke en De Panne. Ongeveer 75 Belgische vaartuigen, waarvan drie vierde vissersboten, namen deel aan Operatie Dynamo. In totaal zetten zij bijna 23.000 geallieerde militairen over het Kanaal. Elf schepen, waaronder de vissersschuit Getuigt voor Christus, gingen verloren, voornamelijk als gevolg van Luftwaffeaanvallen.
Hoe zwaar de overtocht van het Kanaal in die dagen was, illustreert het logboek van de Z 50, de schuit van de achttienjarige Zeebrugse visser Georges F. Ragaert. Opgeëist door de Fransen zou de Z 50 bijna een volle week continu ‘de navette doen’. 

 

’30 mei. Aankomst te Ramsgate met 100 soldaten. Dezelfde dag terug naar Duinkerke vanwaar wij in de nacht van 30 op 31 mei weer 100 soldaten naar Ramsgate brengen. 

31 mei. Aankomst te Ramsgate met 100 soldaten. Zelfde dag terug naar Duinkerke.

1 juni. Terug te Ramsgate met een nieuwe lading van 110 soldaten. 

2 juni. Vertrokken ’s avonds, en na gans de nacht gebombardeerd te zijn, terug te Ramsgate met 98 man. 
3 juni. Eens te meer vertrokken naar Duinkerke, maar daar wij te veel beschoten worden door Duitse vliegtuigen kunnen wij maar 10 man oppikken. 
4 juni. Onmogelijk naar Duinkerke terug te keren, de haven is niet meer toegankelijk door het vijandelijk geschut.’ 

 

Nadat het ‘Wonder van Duinkerke’ zich voltrokken had, keerden de Belgische zeelui terug naar de havens vanwaaruit ze einde mei vertrokken waren: Dartmouth, Brixham, Milford Haven, en andere. Ook voor hen begon het lange wachten. 

 

Niet alleen de militairen in Tenby beklaagden zich dus over de lethargie van de regering en over de situatie waarin zij die wilden vechten, zich bevonden. Halfslachtige maatregelen vanwege de regering – deels het gevolg van de bijzonder snel op elkaar volgende gebeurtenissen na 10 mei – maar ook andere factoren, maakten dat de Belgische koopvaardij, de visserijvloot en de ferry’s lange tijd op non-actief stonden. Toch bevonden zich heel wat schepen van diverse tonnage in de Britse havens en had de regering aan het begin van de Achttiendaagse Veldtocht wel degelijk een zekere vooruitziendheid getoond. 

 

Al op 11 mei 1940 was er een economische missie naar Londen vertrokken, onder leiding van baron René Boël. Het gezantschap had de opdracht gekregen de oorlogsinspanningen van België af te stemmen op die van de geallieerden en bijgevolg had het een zekere zeggenschap over de schepen die naar Groot-Brittannië voeren of nog zouden varen. De samenwerking met het Bestuur van het Zeewezen in België gebeurde door het Belgian Shipping Advisory Committee (B.S.A.C.), waarvan, behalve Boël, ook een aantal ervaren officieren van de koopvaardij deel uitmaakten. Onder hen was ook Georges Timmermans, die later een belangrijke rol zou spelen bij de uitbouw van de Belgische Sectie van de Royal Navy. 

 

We moeten hierbij opmerken dat België in 1940 geen oorlogsvloot bezat, die naam waardig. Het Corps de Torpilleurs et Marins, een relict uit de Eerste Wereldoorlog, was al opgedoekt in 1926. En de laattijdige inspanning tijdens de mobilisatie om over een marine te beschikken, resulteerde in een ‘vloot’ van enkele nauwelijks bewapende, krakkemikkige schepen: het Corps de Marine. Drie weken nadat ze hadden deelgenomen aan de evacuatie van geallieerde troepen uit de perimeter van Duinkerke, werden de vaartuigen van het Corps de Marine – behalve één – in Spanje aan de ketting gelegd. De aandacht van Boël en zijn medewerkers richtte zich dus op burgerschepen, waarvan de eigenaars vaak private personen of instellingen waren. 
Als gevolmachtigd afgevaardigde van de regering in het Anglo-French Co-Ordinating Committee kon Boël in principe belangrijke beslissingen nemen, maar die werden slechts bindend nadat er een heel politiek en bureaucratisch parcours was afgelegd. Dat leidde meermaals tot onduidelijkheid, zoals bleek uit de wijze waarop de koopvaardijvloot werd opgevorderd. 

Het bevel daartoe kwam op 16 mei ’s avonds, via een telefoontje van Henri De Vos, directeur-generaal van het Bestuur van het Zeewezen in Oostende, aan de Belgische militaire attaché in Londen. Die richtte zich vervolgens tot Boël, die op zijn beurt telefonisch contact opnam met De Vos, aangezien de instructies vanuit Oostende vrij vaag waren. Hoewel De Vos handelde in opdracht van de regering, die toen in Oostende resideerde, kon hij blijkbaar niet meer vertellen, zodat Boël moest wachten tot de volgende ochtend. Pas op 17 mei kwam de formele beslissing, deze keer vanwege het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het per telegraaf verzonden bericht had het echter niet over een ‘feitelijke’, maar wel over een ‘tijdelijke’ opvordering. De regering wilde blijkbaar alleen verhinderen dat Belgische schepen die in Groot-Brittannië of elders aanlegden, zomaar door een ‘vreemde’ mogendheid zouden worden opgeëist. De ‘voorlopige’ opvordering van de koopvaardijvloot betekende dat de Belgische regering zou beslissen wat er met de Belgische schepen moest gebeuren. Dat lag echter moeilijk: de reders hadden immers alleen om uit te varen de toelating van de overheid nodig, maar verder konden ze vrij over hun schepen beschikken. Aan de opeising van de visserijvloot had de regering merkwaardig genoeg níét gedacht. Die desinteresse van de Belgische politiek en administratie verklaart wellicht waarom de vissers tijdens Operatie Dynamo zo veel verdienstelijk werk konden leveren voor de geallieerden. 

De zaken werden nog ingewikkelder na 28 mei. België had gecapituleerd en de Britten wensten duidelijkheid over de Belgische schepen, waarvan er vele in Groot-Brittannië voor anker lagen. Tijdens een bijeenkomst van een subcomité van het Anglo-French Co-Ordinating Committee op 31 mei gaven de Britten duidelijk te kennen dat ze geen genoegen namen met de halfslachtige maatregelen waarmee Boël was komen aanzetten. Veel kon de ‘gevolmachtigde’ gezant echter niet beginnen. Directeur-generaal De Vos verbleef nog steeds in België, nadat zijn poging om het land te verlaten door de Duitsers verhinderd was. En de regering had duidelijk andere katten te geselen. Op 31 mei was zij immers, samen met een groot aantal parlementsleden, in vergadering bijeen in Limoges, en de emoties laaiden er bijzonder hoog op. Sommigen dachten er zelfs aan de koning af te zetten en de republiek uit te roepen. Maar aan dat soort problemen hadden de Britten geen boodschap. Zij hadden een oorlog te voeren en wensten formele afspraken te maken met het wettige gezag, met Pierlot en zijn ministers dus. Die verkozen echter in Frankrijk te blijven, zodat Boël zich onder druk van de Britse regering genoodzaakt zag hen daar op 7 juni te gaan opzoeken. Met een aantal belangrijke volmachten op zak, onder meer in verband met de koopvaardijvloot, keerde hij zes dagen later naar Londen terug. Alles leek in kannen en kruiken.

Toch nam de regering snel gas terug. Dat had alles te maken met de naderende Franse capitulatie. Behalve Jaspar trok geen enkele minister openlijk de kaart van Groot-Brittannië en Boël en de zijnen waren bijgevolg opnieuw vleugellam. Het resultaat was dat de Belgische koopvaardijschepen in de Britse havens voor anker bleven tot de betrokken partijen klaarheid zouden scheppen, onder meer over de verzekeringspremies voor de reders, én tot de Belgische regering zich als een loya­le partner zou gedragen. De ‘damned Belgian affair’ was des te pijnlijker omdat de Nederlandse regering in ballingschap al op 6 juni alle schepen had opgevorderd om ze voor de duur van de oorlog ten dienste van de Britten te stellen.

Eén man besloot alvast niet te wachten tot de regering, de ambtenarij en de reders hun beleid op de sporen hadden gezet. Victor Billet, 38 jaar en officier bij de ferrydienst Oostende-Dover, had al op 16 mei afscheid genomen van zijn echtgenote en vier kinderen en was met de Prins Philip naar Folkestone gevaren. Hoewel hij geen militair was, brandde hij van verlangen om tegen de Duitsers te vechten. Aanvankelijk had Billet enig geduld geoefend – vermoedelijk wachtte hij op een duidelijk engagement van de regering. Maar op 4 juli was de maat vol. Die dag ‘solliciteerde’ Billet bij het Britse ministerie van Koopvaardij en verzocht hij de Britten hem te willen aanwerven ‘voor eender welke actieve dienst’, zo mogelijk op een Belgisch schip, maar dat was geen absolute vereiste. Luitenant Billet deelde de Britten ook nog mee dat hij goede contacten had met de vissers, die zich in een of andere haven zaten te vervelen en van wie de meesten ook in actie wilden schieten. Billets eigengereide optreden leidde echter tot niets en het werd niet bepaald geapprecieerd door de vertegenwoordigers van de regering in Londen.
Maar Billet zette door. Hoewel hij een flinke vermaning had gekregen van het Belgian Shipping Advisory Committee, klopte hij aan bij baron Boël met het voorstel om een Belgische marinesectie op te richten. Zijn verzoek werd echter afgewimpeld. Een argument was dat Billets collega-officieren van de lijn Oostende-Dover, het kader van de op te richten zeemachteenheid, voorlopig op non-actief wilden blijven. Of Billet ook op de hoogte werd gesteld van meer fundamentele redenen, zoals het aarzelen van de regering en het oeverloze gepalaver achter de schermen, is niet met zekerheid te zeggen. In elk geval moet hij hebben begrepen dat hij van zijn landgenoten voorlopig niet veel hoefde te verwachten. Dat verklaart waarom Billet zich op 25 juli richtte tot Lord Keyes, een levende legende bij de Royal Navy door zijn gedurfde raids tegen Zeebrugge en Oostende in april 1918. Billet wond er geen doekjes om: ‘Ik waag het u te schrijven, omdat u behoorlijk bekend bent in België en omdat ik voel dat u voor mij alles zult doen wat u kunt, omdat u zich betrokken voelt bij mijn land.… Ik zou graag meer actief betrokken zijn bij de strijd voor mijn land en zou daarom graag toetreden tot de Royal Navy. Zou u me daarbij kunnen helpen? Ik verlang ernaar alles te doen wat binnen mijn vermogen ligt en indien u mij volgende week even wilt ontvangen, zal ik u ervan overtuigen hoe graag ik Engeland mijn hulp wil aanbieden.’ 

 

Het verzoek aan Keyes had effect. De admiraal introduceerde Billet in Whitehall bij admiraal Gerald C. Dickens, die verantwoordelijk was voor de samenwerking met de geallieerde marines. Dickens, een kleinzoon van de beroemde romanschrijver, bood de ondernemende Belg een luisterend oor, maar hij kon uiteindelijk niets beloven. Het werd Dickens snel duidelijk dat Billets bevoegdheid niet te vergelijken viel met die van bijvoorbeeld kapitein-luitenant-ter zee Alfred de Booy, de Nederlandse marineattaché, die in opdracht van zijn regering de samenwerkingsmodaliteiten met de Royal Navy had uitgewerkt. Wat had de ‘burger’ Billet meer te bieden dan zijn enthousiasme, en in wiens naam handelde hij? Andermaal kwam dat bijzonder heikele punt op tafel: hoe zat het met de Belgische regering? 

Had de Belgische regering tot midden juni een zekere cohesie vertoond, dan viel daar in de weken na de Franse capitulatie nog weinig van te bespeuren. Zelfs over de houding tegenover de koning bestond er geen eensgezindheid. Zo stak de katholieke minister van Economische Zaken, Middenstand en Ravitaillering, August De Schrijver, zijn royalistische gevoelens niet onder stoelen of banken. Onder meer door zijn gehechtheid aan het koningshuis bleef hij tot juli 1942 in Vichy-Frankrijk, het door de Duitsers niet-bezette deel van de republiek. Uit pure wanhoop probeerden enkele ministers in de dagen na de Franse capitulatie zelfs contact op te nemen met Leopold III – had die immers niet de ineenstorting van Frankrijk voorspeld? Maar de koning hield de boot af.

Het isolement van de ministers werd nog groter toen het Duitse militaire bestuur hun in juli officieel de toegang tot België ontzegde. Er zat voorlopig dus niets anders op dan te proberen er in Frankrijk het beste van te maken. Alsof dat nog niet genoeg was, kreeg ‘schismaticus’ Jaspar rond diezelfde periode in Londen versterking van een aantal socialistische en liberale excellenties, aangevoerd door Camille Huysmans, oud-minister en topman van de Belgische Werkliedenpartij.

Gelukkig voor Pierlot en zijn getrouwen waren deze mensen vooral gericht op het bestendigen van hun eigen machtspositie en ze kregen heel wat tegenwind van de Belgische ambassadeur in Londen, baron Cartier de Marchienne. Die bleef solidair met de wettige regering en hij zou Jaspars plannen voor de oprichting van een nieuwe regering in Londen grondig dwarsbomen. Voor de zeventigjarige aristocraat Cartier was Jaspar niet meer dan een rebelse vlegel die in de eerste plaats zijn eigen carrière voor ogen had. Met Huysmans en de zijnen zou de nieuwe regering trouwens een manifest links karakter krijgen en daar zat de conservatieve Cartier allerminst op te wachten. Ook de legalistische attitude van de Britten speelde in het voordeel van de regering-Pierlot: ook al zat ze in Frankrijk, zolang er een Belgische regering bestond, zou premier Churchill weigeren een nieuwe ploeg te erkennen.

Maar de sterkste troef waarover de regering-Pierlot beschikte, was minister De Vleeschauwer. Die was op 4 juli 1940, na een lange omweg via Spanje en Portugal, in Londen aangekomen met een aantal duidelijke instructies van Pierlot. De Vleeschauwer fungeerde als een soort ‘vooruitgeschoven waarnemingspost’, maar hij moest in Londen bovenal de autoriteit van de regering over de Kongokolonie affirmeren. De minister beschikte over een officiële volmacht, wat verklaart waarom hij al kort na zijn aankomst in audiëntie werd ontvangen door zowel minister van Buitenlandse Zaken Lord Halifax als premier Churchill. Tijdens dat onderhoud weerlegde De Vleeschauwer een aantal beweringen van Jaspar. Zo maakte hij duidelijk dat de regering in Frankrijk wel degelijk de intentie had om Kongo in te schakelen in de Britse oorlogvoering. Verder zei hij dat de regering absoluut niet van plan was vrede te sluiten met de Duitsers, maar hij verzweeg natuurlijk dat het moreel van de meeste ministers tot een dieptepunt was gezakt en dat generaal Denis de resterende strijdkrachten naar huis had gestuurd. Huysmans liet zich minachtend uit over de katholiek De Vleeschauwer, gezant van de regering: ‘Wat wilt u? Voor het diner uitgenodigd worden door Churchill en Lord Lloyd. Stelt u zich eens voor wat dat betekend moet hebben voor die simpele advocaat uit Leuven, die nog nooit iets van belang had meegemaakt. Hier voelde hij zich werkelijk onder de groten der aarde. Zij maakten hem deelgenoot van hun politieke activiteiten en plannen. En opeens zag hij het licht.’ 

 

Hoewel de Britse regering aanvankelijk wel wat zag in een ‘regering-Jaspar-Huysmans’, koos ze uiteindelijk eieren voor haar geld. Churchill en de zijnen waren zich immers maar al te goed bewust van het belang van Belgisch-Kongo. De autoriteiten daar erkenden trouwens nog steeds het gezag van de regering-Pierlot. De Britten zouden dus niet vlug geneigd zijn om de plannen van Jaspar en Huysmans te steunen. Maar… dan moesten Pierlot en de zijnen wél naar Londen komen. En wel zo snel mogelijk. 

De Vleeschauwer wist dus wat hem te doen stond. Eind juli vertrok de minister opnieuw naar het vasteland, met de bedoeling zijn collega’s over de streep, en vooral, over het Kanaal te halen. Dat zou echter niet van een leien dakje lopen. De weifelende Pierlot zond op 30 juli alleen minister van Financiën Gutt, die de bevoegdheid had over de goudvoorraad van de Nationale Bank, met De Vlees­chauwer mee naar Londen. Het geduld van de Britten raakte echter stilaan op. Toch zouden De Vleeschauwers demarches bij de Britse regering de ambities van Jaspar en Huysmans in de kiem smoren én de geloofwaardigheid van de achterblijvers in Frankrijk uiteindelijk ten goede komen. De taaie verdediging van de Royal Air Force en de kranige houding van de Britse bevolking tijdens de zomer van 1940 deed hen inzien dat de oorlog inderdaad nog niet voorbij was. 

Sourced through Scoop.it from: www.seniorennet.be

See on Scoop.itMijn gazet

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s