Koekelberg: feest van de Vlaamse gemeenschap 2017

DL-10jul2017
Dirk Lagast

Dit keer organiseert Koekelberg het feest van de Vlaamse Gemeenschap in het Stepmanhuis.

Charles Stepman werd geboren in 1891. Hij was decorateur-beeldhouwer en directeur van de Academie voor Schone Kunsten in de Zuidstraat te Brussel. Hij woonde in dit huis in Koekelberg tot aan zijn dood in 1964. De kunstenaar blonk uit in het beeldhouwen van portretten, in bas-reliëf, en eveneens in de aquarelkunst, in etsen en in schetsen. Zijn atelier was gevuld met een zeer gevarieerde collectie kunstwerken. Verschillende van zijn werken van hem sieren openbare gebouwen. In Koekelberg vinden we een bas-reliëf van hem in brons in Home Jourdan, een bas-reliëf van voormalig Burgemeester Oscar Bossaert aan de Swartenbroeksschool en het paneel “Kring der Kinderen” in Espace Cadol.

SimonisIn 1947 stichtte Charles Stepman de Kunst- en Opvoedingsvereniging Eugène Simonis. De Luikse beeldhouwer woonde in Koekelberg, werd er gemeenteraadslid en gaf zijn naam aan het plein waar Den Daring werd opgericht en waar nu het spiksplinternieuwe fontein Cabosse staat. Simonis werkte eveneens in de Brusselse Academie voor Schone Kunsten. Werken van hem vinden we bijvoorbeeld aan het Koningsplein, waar het beeld van Godfried van Bouillon staat of aan de Congreskolom, waar de leeuwen van zijn hand zijn.

Het Stepmanhuis behoort vandaag tot de culturele infrastructuur van de gemeente. Sinds kort wordt het ter beschikking gesteld van het nieuwe Franstalig cultureel centrum “Koekelberg/Sint-Agatha-Berchem”.

Omdat Koekelberg de gemeente is waar iedereen zich thuis voelt, wordt hier het feest van de Vlaamse gemeenschap gevierd.

En feesten doen we wel graag in Koekelberg: nog tot in september kan je elke dag – behalve op maandag – terecht in Bar Eliza, niet alleen om te drinken, ook voor animatie. En elke vrijdag is er Koek’s Apero.

Ik nodig u uit om bij het buiten gaan het jaarprogramma Nederlandse Cultuur mee te nemen. Cultuur schrijven we in Koekelberg niet met een grote C. Het betekent in eerste plaats mensen bijeenbrengen.

Boekelberg1

Dit jaar vraag ik uw bijzondere aandacht voor onze bibliotheek Boekelberg. Je kan er niet alleen tijdens de openingsuren terecht. Met de Belbib staat Boekelberg voor u klaar wanneer het u past. Onze bibliotheek is genomineerd om beste bibliotheek van te worden van Vlaanderen en Brussel. Dat kan alleen met uw hulp: stemmen kan u doen via www.bibliotheekblad.be. Intussen hebben we wel de beste bibliotheek van het Brussels hoofdstedelijk gewest.

Het feest van de Vlaamse gemeenschap is een feest dat zijn wortels vindt in een meer dan zeven eeuwen oude geschiedenis: de gulden sporenslag van 11 juli 1302.

Waarom werd die dag gekozen?

Na de onafhankelijkheid van België gingen de  nieuwe bewindvoerders op zoek naar een geschiedenis voor het land: “Sire, donnez-nous une histoire!”.

In Brussel vond men François Anneessens, de vrijheidsstrijder en verzetsman tegen het centralistische Oostenrijks bestuur; de Walen mochten pronken met Godfried van Bouillon, van wie de Koekelbergenaar Eugène Simonis het beeld maakte dat nu op het Koningsplein staat.

Bij de Vlamingen was er Hendrik Conscience, de man die zijn volk leerde lezen met het boek ‘De leeuw van Vlaanderen’ over de fameuze gulden sporenslag in 1302. Een verhaal over dat deel van België dat ooit deel uitmaakte van Frankrijk en zich verzette tegen de totalitaire Franse koning. De Leeuw van Vlaanderen stond symbool voor de Koning der Belgen: de verzetsleider.

Het had even goed een ander verhaal of legende kunnen zijn dat aan basis ligt van die feestdag.

Tijl  Uilenspiegel bijvoorbeeld. Charles De Coster schreef ‘la Légende d’Ulenspiegel’ in 1869.  Tijl Uilenspiegel werd geboren in Damme op 21 mei 1527, niet toevallig dezelfde dag als de latere koning Filips II – de zoon van Keizer Karel V die het aan de stok kreeg met de Nederlanden. Na een dispuut met de geestelijkheid moet Tijl op boetereis naar Rome. Bij zijn terugkeer is zijn vader, Klaas, gedood op de brandstapel.

Dat verklaart waarom Uilenspiegels verhaal zich afspeelt in het Vlaanderen tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648). Samen met Lamme Goedzak en zijn vriendin en zoogzuster Nele verzet hij zich tegen de Spaanse overheersing. De legende speelt zich af in Vlaanderen, maar werd in het Frans geschreven door een Brusselaar.

De Franstalige Brusselaar Charles De Coster gebruikte de Vlaamse culturele traditie om een nationale symboliek te creëren: Tijl Uilenspiegel uit Damme, de verzetsheld tegen de Spaanse totalitaire overheerser. Als Franstalige wilde hij “een taal die haar herkomst niet zou verloochenen en die de draagster kan zijn van de symboliek van een in het Frans geschreven Vlaams epos dat de Belgische identiteit moest helpen versterken”. [Christian Berg, De Frans-Belgische literatuur en haar ‘Vlaamse school’ (1830-1880) p. 127] Het is erkenning van de Vlaamse cultuur die we in de negentiende eeuw (en begin van de twintigste eeuw) terugvinden bij verschillende Frans-Belgische auteurs, zoals Camille Lemonnier, Emile Verhaeren, Georges Rodenbach, Maurice Maeterlinck, Max Elskamp, Michel de Gelderode en zelfs Jacques Brel, maar die tot op vandaag niet gesmaakt wordt in mainstream leidende Vlaamse kringen…

Er is gekozen voor Hendrik Consciense en het symbool voor de koning der Belgen. Sinds 1973 wordt 11 juli door de Vlaamse Gemeenschap erkend als feestdag: Vlaamse ambtenaren krijgen een dag vrij, en werknemers wier patroon dat toestaat eveneens. Daarom vieren wij het feest van de Vlaamse gemeenschap op 10 juli, letterlijk aan de vooravond van 11 juli, opdat iedereen – ook diegenen die geen vrije dag hebben – zou kunnen meevieren.

Hoe je het ook draait of keert, aan de basis van het feest ligt het verzet tegen de allesoverheersende, totalitaire gecentraliseerde macht: de gulden sporenslag tegen de Franse koning, Tijl Uilenspiegel tegen de Spaanse overheerser of François Anneessens tegen het Oostenrijkse centralisme.

Nochtans was Brabant z’n tijd toen ver vooruit: op 27 september (!) 1312 werd het Charter of de Keure van Kortenberg ondertekent. Hiermee kregen de steden rechten en autonomie toegekend. Vanaf dan konden ze zelf belastingen heffen, zouden hun burgers volgens algemene rechtsregels berecht worden en kregen ze inspraak. De centrale Hertogelijke macht beloofde om die rechten te eerbiedigen.

Die problematiek is vandaag brandend actueel: autonomie, inspraak, democratie, vrijheid, gelijkheid…

Destijds baseerde dat gecentraliseerd systeem zich op vazallen in kleinere entiteiten: regio’s, heerlijkheden, steden… met leenmannen, gouverneurs, amans of baljuws die het gepeupel de indruk gaven de heerlijkheden of steden op een min of meer neutrale manier ter besturen. Nadien evolueerde dat zelfs tot het absolute heersen van de vorst.

Dat gaf mee de indruk dat het systeem neutraal was: de tussenpersonen, de leenmannen, werden uitgeschakeld. Een sterk centraal bestuur kwam in de plaats zodat alle beslissingen te goede kwamen van de koning. Een administratie werd in het leven geroepen om het systeem zogezegd neutraal te ondersteunen.

De steden kregen vrijheden die niet voor eeuwig verworven waren. Het bewijs vinden we op de Brussels Grote Markt waar Karel Van Lotharingen (oorspronkelijk was het Maximiliaan van Beieren) met de oorkonde van de toegekende vrijheden het brouwershuis siert.

De Verlichting bracht verandering: met de idealen van Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijk werden andere oplossingen gezocht. Het bestuurssysteem werd gepolitiseerd via – op de een of andere manier – verkozen organen: congressen, parlementen, staten generaal, … maar ook provincieraden of gemeenteraden.

De laatste dertig of veertig jaar zien we evenwel een tegenbeweging, in de eerste plaats op internationaal vlak. De zg. globalisering heeft niet alleen een enorme impact op de soevereiniteit van de staten, deelstaten, regio’s, maar evenzeer op lokale entiteiten en hun inwoners.

Een mooi voorbeeld is de Europese Unie. De founding fathers hadden ongetwijfeld nobele politieke motieven om de eenmaking van Europa op gang te trekken. Na de tweede wereldbrand werden manieren gezocht om duurzame vrede, stabiliteit en zelfs welvaart te garanderen. Dat liep niet van een leien dakje, daarom werd gekozen om in de eerste plaats te focussen op een eengemaakt economisch Europees project. Van meet af aan kregen de instellingen (Europese Commissie,  Europese Centrale Bank) en die dat project moesten ondersteunen niet alleen een supranationaal, maar vooral een technocratisch karakter, dat zg. de goede samenwerking onafhankelijk  moet bewerkstelligen.

Onafhankelijk, d.w.z. zonder dat het zich moet verantwoorden tegenover een parlement, de kiezer of eender wel politiek orgaan. Alsof de beslissingen van die technocratische instellingen neutrale politieke keuzes impliceren…

Een voorbeeld hiervan is de monetaire unie: het fiscale stabiliteitspact geeft de Europese Commissie een wurgend toezicht op het fiscale, budgettaire en sociale beleid van niet alleen de lidstaten, maar evenzeer van regio’s, gewesten, gemeenschappen en zelfs van gemeenten.

Vanuit democratisch oogpunt is dat een verregaande inmenging in de soevereiniteit en zelfbeschikking. Als overheden niet langer de vrijheid hebben om hun eigen budgettaire keuzes te maken op basis van politieke evenwichten en akkoorden, maar moeten opereren binnen de parameters die opgelegd worden door hogere bureaucratische en technocratische instellingen, dan worden de democratische vrijheden sterk beknot.

Dat technocratisch, gedepolitiseerd en centralistisch karakter van die supranationale instellingen vormt de kern van het democratisch deficit, dat we niet alleen zien op Europees niveau, maar dat afstraalt naar andere, lagere echelons. Trickle down bestaat!

De verhouding tussen die technocratische instellingen en de politieke overheden wordt meer en meer scheef getrokken in het voordeel van de eersten, met de gekende mantra’s van efficiëntie en goed bestuur.

Die emigratie van het politieke naar het technische is een bedreiging voor de democratische principes en soevereiniteit. Als de soevereine macht van de politieke instellingen uitgehold wordt, blijft de democratie met lege handen achter en verliest ze alle greep op de organisatie van de samenleving. Nochtans zijn de democratische instellingen en structuren die we vandaag kennen net ontwikkeld om de inrichting van onze samenleving zoveel mogelijk zelf in handen te houden.

We doen dat wel met een systeem waarbij we die macht voor een bepaalde periode delegeren aan onze vertegenwoordigers. Die vertegenwoordigers kunnen gebruik maken van het zg. primaat van de politiek dat vanuit een bepaald oogpunt te doen.

De burger houdt er toezicht en controle over d.m.v. verkiezingen: hij kan om de zoveel tijd zijn vertegenwoordigers belonen of afstraffen. Hij kan dat eveneens doen door te militeren in een politieke partij. Of hij dat doet is een andere zaak.

Beslissingen die door zogenaamde neutrale instellingen genomen worden zijn evenwel allesbehalve neutraal.

De vele schandalen in de politiek – of tenminste zij die deze macht bekleden – spelen in op de verzuchtingen van die technocraten.

Moeten het kind met het badwater weggegooid worden en is meestappen in de pleidooien voor grotere entiteiten en fusies met een sterk centraal bestuur de oplossing?

De actuele schandalen spelen zich net af in die grotere, technocratische instellingen. Het is niet omdat raden van bestuur bemand worden door leden van politieke partijen die een politiek mandaat vervullen, dat die organisaties politieke instellingen zijn. Het zijn net apolitieke organisaties, die verstoken blijven van elke mogelijke vorm van democratische – dus politieke – controle.

Zo komen we terug bij het uitgangspunt van het feest van de Vlaamse gemeenschap: het verzet tegen de gecentraliseerde macht die ergens ver weg in een ivoren toren handelt via technocraten en experten die, allesbehalve neutrale, regeltjes toepassen en vaak zelfs geen echte terreinkennis hebben.

Door inspraak van stakeholders worden beslissingen genomen die zg. breed gedragen worden. De vraag is wie die stakeholders eigenlijk zijn: meestal belangengroepen. Een ander woord hiervoor is: lobbyisten.

Een vorm van inspraak om politieke beslissingen te depolitiseren.

Een concreet voorbeeld hiervan is het Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling, waarmee de Brusselse Regering een antwoord wil geven op de uitdagingen waarmee het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt geconfronteerd. Het GPDO beslaat de volledige 161km² van het gewest en schetst projecten die oplossingen moeten bieden voor huisvesting, mobiliteit, economie en de leefomgeving eerst tegen 2025 en vervolgens tegen 2040 in goede banen te leiden.

Via een mediacampagne, een website en infomomenten werden alle Brusselaars, middenveldorganisaties en belangengroepen uitgenodigd om hun zeg te doen over het ontwerpplan. Ook gemeentebesturen mochten advies geven.

Vormelijk een heel mooie procedure: iedereen kreeg inspraak. Of kreeg op zijn minst de indruk van inspraak: de eindbeslissing ligt bij het centrale bestuur van het gewest.

Het is ook een heel efficiënte procedure: het gaat over opmerkingen of adviseringen. Het is geen politieke dialoog tussen besturen: het lokale niveau gaat niet in debat, het geeft alleen advies.

De vragen die hierbij rijzen zijn de volgende.

Onze gemeente mag dan maar 1,2km² van de totale oppervlakte van het gewest beslaan, met bijna 22.000 inwoners is het één van de dichtst bevolkte:  er leven18.359 mensen per km². Prognoses stellen een bevolkingsaangroei van 14% in het vooruitzicht tot 2025. De uitdagingen op het vlak van huisvesting, leefbaarheid en socio-economische activiteiten zijn groot.

Houdt een centraal bestuur als het Gewest hier rekening mee? Is de afstand van het Gewest tot de lokale inwoner niet te groot?

Met de bouw van nieuwe gemeenschapsvoorzieningen (crèche, basis- en secundaire school, sportzaal, bibliotheek, gemeenschapscentrum en jeugdinfrastructuur) en een honderdtal woningen vlakbij Simonis, wordt een stap gezet in de goede richting. Maar er zijn hiaten die moeten opgevuld worden als we willen dat Koekelberg ook in de toekomst een gemeente is waar iedereen zich thuis voelt.

Het is duidelijk dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met het GPDO een aanzet geeft om de uitdagingen aan te pakken. Maar de tekortkomingen van het plan tonen aan dat het Gewest vaak te ver af staat van de bewoner en niet genoeg rekening houdt met de lokale omstandigheden.

Een lokaal bestuur is niet alleen beter bereikbaar voor de bewoner, het heeft een beter zicht op de lokale situatie en noden. Een project als het GPDO is als het ware een pleidooi voor het behoud van gemeenten en zelfs voor opsplitsing van grotere entiteiten en meer inspraak.

Hoe Koekelberg de voorspelde 14% demografische groei op haar grondgebied zal kunnen opvangen blijft een groot vraagteken. De laatste tien jaar is de Koekelbergse bevolking aanzienlijk gegroeid. Er worden nieuwe appartementsgebouwen gecreëerd. Eigenaars delen bestaande panden op en maken op die manier meergezinswoningen. Een raming van de verhouding van te creëren private en publieke woningen is nodig om een evenwichtige verdeling te programmeren en vooral om te kunnen inspelen op de gevolgen, verbonden aan de komst van nieuwe inwoners. Want duurzaam wonen is ook betaalbaar wonen.

Het GPDO schuift verschillende pistes naar voor om de bevolkingsaangroei aan te kunnen. Voor Koekelberg komen er twee in aanmerking:

  • een verdichting van het aantal woningen door in de hoogte te bouwen;
  • een verdichting in de binnenterreinen van huizenblokken.

Een gecontroleerde verdichting van de residentiële wijken vereist niet alleen dat openbaar vervoer wordt voorzien, maar ook dat het vooraf gerealiseerd wordt. De aanleg van een tramlijn zou sneller een antwoord bieden voor de verplaatsingen dan de creatie van een metrolijn tegen 2040. Daarnaast zal voldoende parkeergelegenheid buiten de openbare weg moeten opgelegd worden voor de nieuwe projecten. Dat vinden we niet terug in het ontwerpplan.

Het ontwerpt erkend slechts twee lokale identiteitskernen (LIK): het Eugène Simonisplein en het Henri Vanhuffelplein met het hoger gelegen deel van de Sint-Annakerkstraat. De derde, het Bastenakenplein met de Karreveldlaan kent het Gewest niet. Het is nochtans een plek die net door de aanwezigheid van handelszaken gemeenschapsversterkend werkt. Net daarom is het gemeentebestuur er gestart met de wekelijkse markt Koek’s Saveurs.

Naast de lokale identiteitskernen zijn er nog buurtwinkels op verkeersassen zoals de Pantheon-, Basiliek-, Seghers- en de Sint-Agatha-Berchemselaan.

De drie toeristische trekpleisters van Koekelberg (Basiliek, Aquarium van Brussel en Belgian Chocolate Village) kunnen een troef zijn voor de handelsactiviteiten van de gemeente.

Als de druk van auto’s in de komende jaren wil verminderd worden, zullen er snelle en efficiënte alternatieven moeten zijn alvorens in te grijpen op de wegeninfrastructuur. Zonder alternatieven zal zich juist het tegenovergestelde effect voordoen: een verzadiging van het wegennet met niet te verwaarlozen negatieve effecten op het welzijn van de Koekelbergenaars (en de Brusselaars in het algemeen) door onder meer geluid, vervuiling, etc. en op de economie in het gewest.

Het verminderen van het aantal parkeerplaatsen op de openbare weg is eveneens onderworpen aan het aanbod aan openbaar vervoer of andere alternatieven. Voor de kleine gemeenten die dichtbevolkt zijn en weinig of zelfs geen enkele alternatieve mogelijkheid hebben voor parkeren buiten de openbare weg, zal het afschaffen van een groot aantal parkeerplaatsen bron zijn van onophoudelijke problemen voor de bewoners.

Het is onlogisch om eenzelfde quota voor de reductie van de parkeerzones op te leggen voor het hele gewest: zo krijgt een gemeente met een ruim woonaanbod dezelfde doelstellingen als de in het centrum gelegen gemeenten, die per definitie veel dichter bevolkt zijn.

Een tramlijn zou overwogen kunnen worden om de bereikbaarheid te verbeteren van de omliggende wijken die nu slecht ontsloten zijn i.p.v. een nieuwe metrolijn tegen 2040.

Maar, de inbreng van de gemeente beperkt zich tot het geven van een advies. Het Gewest zal uiteindelijk beslissen of het er al dan niet mee rekening houdt. In de perceptie van de burger blijft evenwel het lokale bestuur verantwoordelijk: de burgemeester, de schepenen en de gemeenteraadsleden zijn onmiddellijk aanspreek- en aanwijsbaar.

Een pleidooi voor kleine bestuurlijke entiteiten wordt uiteraard afgedaan als weinig efficiënt en duur.

Nochtans blijkt uit een studie van Belfius dat bij een fusie van de Brusselse gemeenten de kosten hoger zouden liggen dan vandaag het geval is. Een groot grondgebied besturen brengt een complexe administratieve organisatie met zich mee en vergt management en toezichtstructuren, waarmee we terug bij die anonieme technocratie uitkomen. Tegelijk verschilt de geografische en sociaal-economische situatie zo sterk dat een fusie onmiddellijk zou moeten gevolgd worden door een decentralisatie van de diensten.

Tevens blijkt dat de uitgaven per inwoner in het Brussels hoofdstedelijk gewest lager liggen dan in andere stedelijke regio’s: Antwerpen, Charleroi, Gent of Luik, terwijl in de gemeenten in dit gewest geconfronteerd worden met andere uitdagingen: tweetaligheid, internationaal karakter, ‘dode hand’, veiligheidsuitgaven, etc.

Dan is er nog het argument dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de hoofdstad is en dus eigenlijk één stad moet zijn.

Als we naar de rest van de wereld kijken zien we dat er verschillende mogelijkheden zijn. Londen en Parijs zijn hoofdstad geworden in een ver verleden. Canberra (Australië) en Washington DC zijn door hun regeringen speciaal ontworpen om hoofdstad te worden. In Duitsland en Oostenrijk is de hoofdstad een deelstaat, in Zuid-Afrika zijn er drie hoofdsteden (Pretoria, bestuurlijk; Kaapstad, wetgevend; Bloemfontein, rechterlijk), in Nederland twee (Den Haag en Amsterdam) en in Zwitserland is er eigenlijk geen hoofdstad: Bern wordt niet als dusdanig erkend door de deelstaten.

Uiteraard is er de bestuurlijke complexiteit en het aantal politieke mandatarissen. In de huidige context ligt net dat onder vuur.

Het Brussels hoofdstedelijk gewest telt 166 uitvoerende mandaten. Hier wordt dan onmiddellijk de vergelijking gemaakt met andere (hoofd)steden, waar dat aantal veel minder is.

Die vergelijking doet evenwel geen uitspraken over het al dan niet technocratische karakter van die gecentraliseerde grootsteden. Laat staan of er onderzocht is hoe groot de kloof met de burger daar is.

We kunnen even goed de vergelijking maken met pak weg Vlaams-Brabant, een gebied dat uiteraard groter is dan het Brussels hoofdstedelijk gewest: 2016,13km² tegenover 161,38km², maar qua bewonersaantallen perfect vergelijkbaar.

Brussel telt misschien 166 uitvoerende mandaten, in Vlaams-Brabant zijn het 395… In Brussel lukt het met 2/3 minder politiek personeel per inwoner.

De provincie Vlaams-Brabant telt 1.107.000 inwoners, heeft een provincieraad met députatie, telt 65 gemeenten én 27 politiezones. Vlaams-Brabant met nauwelijks evenveel inwoners heeft 3 keer meer schepenen en ocmw-voorzitters (322), burgemeesters (65) en provinciale gedeputeerden (6) plus een gouverneur en een adjunct van de gouverneur ofwel 395 in het totaal. Tel daar nog eens 72 provinciale raadsleden bij, 1506 gemeenteraadsleden, een boel ocmw-raadsleden en weet-ik-veel hoeveel politieraadsleden voor die 27 politiezones.

Daar kijkt men niet naar: liever afgeven op de hoofdstad.

Het is duidelijk dat het hoofdstedelijk gewest of de hoofdstad niet één gemeenschap is. Het feest van vandaag bewijst dat: we vieren het feest van de Vlaamse gemeenschap. Op 27 september wordt het feest van de Franse gemeenschap gevierd. Voorts worden er 111 verschillende talen gesproken in dit gewest. Als we de taal als criterium nemen kunnen we maar liefst 111 gemeenschappen erkennen.

Niettegenstaande sommigen denken van wel, zijn gemeenschappen geen homogene groepen die allemaal dezelfde kenmerken hebben. In onze kleine Vlaamse gemeenschap zijn er al talloze subgemeenschappen te vinden: katholieken, vrijzinnigen, werkgevers, middenstanders, werknemers, senioren, jongeren, … allemaal groepen die zich onderscheiden en gemeenschappelijke kenmerken hebben, maar die kenmerken met elkaar delen. Bij die andere grote gemeenschappen vinden we dat eveneens terug. Tegelijk delen we zelf kenmerken met mensen van die andere gemeenschappen.

Tot een gemeenschap behoren betekent niet dat je je afsluiten van andere gemeenschappen. Er zijn altijd gemeenschappelijke kenmerken met andere gemeenschappen. Het is een dynamisch gegeven. Net daarom heten we mensen van andere gemeenschappen welkom op het feest van de Vlaamse gemeenschap.

Tegelijk toont het dat we het Brussels hoofdstedelijk gewest niet als een homogeen blok moeten zien: het is niet één stad met één bepaalde identiteit. Ukkel is Koekelberg niet. Jette is Sint-Lambrechts-Woluwe niet.

Het gewest is een lappendeken door de eeuwen heen. Dat vind je in het urbaine landschap terug. De Brusselse Grote Markt is een dialectisch spel tussen centralisme en particularisme. Aan de Zavel vind je binnen een straat van 50m een Opus Dei-kerk, tegenover humanisten in het park met net daarnaast een voormalige vrijmetselaarsloge en een synagoge. Om het vergaderlokaal van de 19de eeuwse Bond van de Communisten rechtover het kantoor van de toenmalige pauselijke nuntius niet te vergeten, waar die laatste wellicht de eerste zinnen voor Rerum Novarum op papier zette.

Dat is de Brusselse identiteit: van allemaal en van niemand. Het vertaalt zich eveneens in de bestuurlijke realiteit: complex en gelaagd, het Belgisch model in het klein.

Het valt te betreuren dat sommige – meestal de grootste – van die entiteiten zelf de democratie en het primaat van de politiek buitenspel hebben gezet om openbare diensten als een privé-organisatie te runnen, met oncontroleerbare raden van bestuur.

Is het verwonderlijk dat die raden van bestuur zich gaan gedragen als privé-organisaties?

Ik zou bijna zeggen dat het zeer goede leerlingen zijn: ze hebben gekeken hoe die privé-organisaties doen en doen dat ook: ze geven hun bestuurders onder meer torenhoge vergoedingen…

 

Dirk Lagast,

Schepen van Nederlandse Cultuur, Nederlandstalig Onderwijs, Nederlandstalige Jeugd en Bibliotheek, Tewerkstelling en Volksgezondheid

Koekelberg, 10 juli 2017

 

 

 

Bronnen:

  • “Hoe durven ze?”, Peter Mertens, EPO/Berchem, 2015
  • “Wat een theater! Politiek in tijden van populisme en technocratie”, Stefan Rummens, Pelckmans Pro/Kalmthout, 2016
  • “Brussel in het federale België”, Daniël Buyle, gastcollege Master nationale politiek, Universiteit Gent, 24maa2016, in het kader van de cursus ‘Belgisch federalisme’, Prof. Dr. Carl Devos en Prof. Dr. Nicolas Bouteca
  • “Brussel. Een hoofdstad in meervoud”, Jan Degadt, Pelckmans, Kapellen, 2016
  • BISA

 

Advertenties

1 Comment

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s